vrijdag 31 januari 2014

EMMA MAERSK: Flooding of engine room [Danish Maritime Accident Investigation Board]

Summary


On the evening of 1 February 2013, a severe leakage occurred in the container ship EMMA MÆRSK while the ship, loaded with general cargo in about 14,000 containers, was about to pass southbound through the Suez Canal.

The leakage was caused by a mechanical break-down of a stern thruster situated at the aft part of the ship’s shaft tunnel whereby the shaft tunnel was flooded. The bulkhead between the shaft tunnel and the main engine room could not withstand the hydrostatic water pressure and eventually the main engine room was also flooded.


The situation became complicated because the ship had just initiated a passage in a convoy through the Suez Canal. Loss of the ship’s own propulsion, electric power, steerage and manoeuvrability could be foreseen and eventually occurred.


The main technical sequence of events were a break-down of the forward stern thruster causing a major leakage into the shaft tunnel, a collapse of the watertight integrity of the bulkhead between the shaft tunnel and the engine room, primarily caused by non-effective cable penetration sealings and some undesirable properties of the bilge system and the emergency bilge suction from the engine room. Throughout the course of events, all officers and crew members were constantly disturbed and highly stressed by the sound of countless alarms, which made it extremely difficult to concentrate on the many challenges that ap- peared.

Despite a series of technical breakdowns and system weaknesses, the shipboard organiza- tion remained resilient, and despite the breakdown of the structural barriers, the ship’s offic- ers and crew managed to contain the emergency situation and bring the ship alongside at the Suez Canal Container Terminal without any personal injury or pollution to the environment.

The report contains information about the preventive measures taken by the shipping com- pany, the classification society and other parties involved. The report contains no safety recommendations from the Danish Maritime Accident Investigation Board. 


Full report: http://www.dmaib.com/Ulykkesrapporter/Flooding%20of%20engine%20room%20-%20EMMA%20MÆRSK%20on%201%20February%202013.pdf

vrijdag 6 december 2013

Gronding van de EEMS CARRIER (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 15 september 2012 grondde het Nederlandse zeeschip Eems Carrier in de Vliestroom (Waddenzee). Betrokkene, kapitein van dit schip, stond op het moment van de gronding op de brug. Blijkens diens toelichting ter zitting ligt

de kern van het verwijt van de inspecteur in het feit dat betrokkene, ondanks de aanwezige betonning, de grens van de vaargeul heeft overschreden en is vastgelopen en dat betrokkene derhalve slecht moet hebben uitgekeken.
Betrokkene wordt verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2 Verantwoordelijkheid en
    Voorschrift 5 Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:


Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met een gronding van het schip als gevolg en waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Gelet op de

omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat schadelijke gevolgen van de gronding zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. 

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van één maand;
  • bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij
    het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+6+2012.V6-Eems%20Carrier.pdf

Verlaten van brug tijdens krabbend anker FLINTERBAY (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 17 juni 2012 raakte het Nederlandse zeeschip Flinterbay voor de Nederlandse kust op drift door een krabbend anker. Betrokkene was stuurman van de wacht en was niet aanwezig op de brug gedurende de periode dat het schip op drift was. Betrokkene heeft nagelaten voor vervanging van de brugwacht te zorgen toen hij de brug verliet. Hij had geen wachtalarm bijstaan en hij had geen uitkijk op wacht.
Tuchtmaatregel:


Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid en
    voorschrift 5. Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als scheepsofficier. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, de omgeving en het scheepvaartverkeer, in gevaar is gebracht. De gevolgen van deze handelwijze hadden zeer ernstig kunnen zijn.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid dat niet blijkt dat betrokkene zich eerder aan dit gedrag heeft schuldig gemaakt en de ernstige gevolgen zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van vier maanden;
  • bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+5+2012.V5-Flinterbay.pdf


zaterdag 16 november 2013

Gronding van de VRIESENDIEP (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 18 december 2012 omstreeks 01:00 uur lt grondde het Nederlandse
zeeschip Vriesendiep in Finse wateren. Op dat moment liep betrokkene,
kapitein van dit schip, de brugwacht samen met een loods en fungeerde hij
als roerganger.
De reisvoorbereiding bestond hoofdzakelijk uit een opsomming van
waypoints zonder rekening te houden met de richtlijnen en aanbevelingen
zoals die door de IMO zijn vastgelegd.

Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid;
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
• SOLAS Chapter V, Safety of navigation, Regulation 34 Safe navigation
and avoidance of dangerous situations;
• STCW, Section A VIII/2, part 2 Voyage planning.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn
verantwoordelijkheden als kapitein. Ten aanzien van het overnemen van het
roer is het verband met de gronding onvoldoende duidelijk geworden. Door
de stuurfout is de veiligheid van het schip met haar lading en de omgeving in
gevaar gebracht.
Bij de behandeling is aannemelijk geworden dat betrokkene zich de gronding
zeer heeft aangetrokken en dat deze voor betrokkene persoonlijk reeds
gedurende langere tijd ernstige gevolgen heeft gehad.
In de hiervoor aangeduide aard en ernst van de gebleken gedragingen en de
juistbedoelde persoonlijke omstandigheden vindt het Tuchtcollege aanleiding
om een tuchtrechtelijke maatregel achterwege te laten.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
• verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 5;
• verklaart de bezwaren voor het overige ongegrond;
• legt betrokkene geen tuchtrechtelijke maatregel op.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+4+2013.V1-Vriesendiep.pdf

Gronding van de GEERVLIET (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 6 maart 2012 grondde het motorschip Geervliet omstreeks 23:00 uur
lokale tijd op het Griekse eiland Nisos Polyaigos. Ten tijde van de gronding
liep de kapitein de brugwacht. Voorafgaand en ten tijde van de gronding was
er geen effectieve uitkijk op de brug aanwezig.
Betrokkene heeft, aldus verzoeker, gehandeld in strijd met de Voorschriften
2 en 5 van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming
van aanvaringen op zee, 1972, met het bepaalde in STCW Section A-VIII/2,
Part 3.1 (Watchkeeping at Sea) Principles to be Observed in Keeping a Navigational Watch en met artikel 4 van de Zeevaartbemanningswet.

Tuchtmaatregel:

Het niet houden van een effectieve uitkijk in de nabijheid van eilanden met
als gevolg een gronding moet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk
op de goede zeemanschap. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een
bekwaam kapitein betaamt, waardoor de opvarenden, het schip en de
omgeving in gevaar zijn gebracht. Een schorsing van de vaarbevoegdheid van
na te noemen duur is hier gepast en geboden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- acht het tegen betrokkene gerezen bezwaar, te weten het niet houden
van een effectieve uitkijk, gedurende zijn wacht met als gevolg een
gronding, gegrond;
- legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de
periode van twee maanden;
- bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag
zes weken na verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+3+2012.V4-Geervliet.pdf

Gronding van ENNIO MARNIX [2] (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 4 september 2011 omstreeks 01.50 uur grondde het Nederlandse
zeeschip Ennio Marnix in de “Little Belt”, Denemarken met als gevolg
bodem- en schroefschade. Betrokkene was de kapitein van m.s. Ennio
Marnix.
Voorafgaand aan de gronding en de reis heeft de kapitein
onvoldoende de reisvoorbereiding gecontroleerd of laten controleren,
waardoor de voorgestelde koers over een diepte ging die ongeschikt
was voor de diepgang van het schip.
Betrokkene heeft als kapitein geen uitkijk geplaatst tijdens de donkere
uren en varend in kustwateren met de aanwezigheid van veel gevaren
voor de navigatie.
Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met
de volgende voorschriften en bepalingen.

- Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972: Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid

- STCW Section A-VIII/2
Part 2- Voyage planning, General requirements (3).
Part 3-1 Watchkeeping at sea) Principles to be observed in keeping a
navigational watch.

- SOLAS Chapter V regulation 34: Safe navigation and avoidance of
dangerous situations


- Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig tekort is
geschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met gronding
van het schip als gevolg.
Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een bekwaam kapitein betaamt,
waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, met haar lading
en de omgeving in gevaar is gebracht.

Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de
vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Het niet
plaatsen van een de uitkijk is in de schorsing verwerkt maar zou op
zich zelve niet tot een schorsing hebben geleid.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 4.
- legt betrokkene een schorsing op voor een periode van vier weken.
- bepaalt dat de schorsing ingaat op 3 april 2013.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+2+2012.V1A-Ennio%20Marnix.pdf

Klacht over sleepverbinding sleepboot TEMPEST (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Klacht:

Klager beklaagt zich over het optreden van betrokkene als kapitein van de
sleepboot Tempest bij het vastmaken van het op 12 november 2010 ten
westen van IJmuiden op de Noordzee stuurloos en op drift geraakte
koopvaardijschip Western.
Kort en zakelijk weergegeven omvat het klaagschrift (gedateerd 16 mei
2011) van klager, destijds hoofdwerktuigkundige aan boord van de
sleepboot Tempest, het volgende.
2.1 Klager verwijt betrokkene dat hij bij het uitvaren van de haven van
IJmuiden behoorlijk zeeziek was.
2.2 Klager verwijt betrokkene een sleepverbinding met de Western te hebben
gemaakt met behulp van een keesje in plaats van gebruik te maken van het
aan boord aanwezige lijnwerptoestel terwijl hij, klager, de betrokkene daarop
gewezen had. Door te kiezen voor het vanaf het achterdek gooien van het
keesje aan boord van de Western moest de Tempest volgens klager met
gevaar voor aanvaring de Western tot heel dicht bij naderen.
2.3 Op de door klager gemaakte video-opnamen zou volgens hem te zien
zijn dat op het achterdek staande bemanningsleden van de Tempest
geregeld in het overkomende zeewater geheel kopje-onder zijn gegaan.
2.4 Klager verwijst in het klaagschrift naar het niet vastgehaakt zijn van
bemanningsleden op het achterdek en naar surviving suits.
2.5 Tenslotte verwijt klager betrokkene dat de kettingen waarmee de
sleepdraad was vastgezet tijdens het slepen zijn gebroken en dat het gebruik
van dergelijke kettingen een zeer ongebruikelijke manier van handelen is.
Samengevat stelt klager in zijn inleidend klaagschrift dat betrokkene: ‘Door
ondeskundigheid, vermoedelijk door een groot gebrek aan ervaring op
sleep/bergingsvaart, het leven van opvarenden als ook het eigen schip de
Tempest, alsook de veiligheid van het te bergen, driftende schip, nodeloos
ernstig in gevaar heeft gebracht.’.

Tuchtmaatregel:

De tegen betrokkene ingediende klacht is ongegrond. Van het opleggen van
een tuchtmaatregel kan geen sprake zijn.

Beslissing:

Het Tuchtcollege verklaart de ingediende klacht ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+1+2011.K1-Tempest.pdf