Posts tonen met het label Tuchtcollege voor de Scheepvaart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tuchtcollege voor de Scheepvaart. Alle posts tonen

zondag 18 mei 2014

Aanvaring van de STATENGRACHT en KATRE (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 2 februari 2013 is het Nederlandse zeeschip Statengracht in de Oostzee
in aanvaring gekomen met het Maltese vrachtschip Katre. Betrokkene was op
het moment van de aanvaring kapitein van de Statengracht.
Betrokkene wordt verweten dat hij mogelijk heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972 (hierna: Colregs), voorschrift 2
Verantwoordelijkheid, voorschrift 8 Maatregelen ter vermijding van
aanvaring, voorschrift 16 Maatregelen van het schip dat moet uitwijken,
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3, zich als kapitein gedragen
zoals het een goed zeeman betaamt.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in 
zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met een aanvaring van zijn schip 
met de Katre als gevolg. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een 
verantwoordelijk kapitein betaamt, waardoor de veiligheid van de 
opvarenden, het schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht. 
Bij de zware aanvaring is grote schade aan beide schepen ontstaan. De 
Statengracht liep een groot gat in haar zijde op en had kunnen zinken. 
Gelukkig hebben zich geen persoonlijke ongevallen voorgedaan en is 
verontreiniging van het milieu uitgebleven. 
 
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen van betrokkene is een 
schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In 
de omstandigheid dat betrokkene gedurende een groot aantal jaren als 
kapitein een goede staat van dienst heeft opgebouwd en in het feit dat hij 
zijn tekortschieten ruiterlijk heeft erkend en uit het voorval kennelijk lering 
heeft getrokken, ziet het Tuchtcollege aanleiding bepalen dat de schorsing 
van de vaarbevoegdheid geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. 

Beslissing:

Het Tuchtcollege: 
- verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals 
hiervoor aangegeven onder 5; 
- legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een 
periode van twee weken; 
- bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het 
Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het 
feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het  
Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met 
de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte 
van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het 
scheepvaartverkeer; 
- bepaalt dat de proeftijd van de voorwaardelijke schorsing ingaat op de 
dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 


vrijdag 6 december 2013

Gronding van de EEMS CARRIER (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 15 september 2012 grondde het Nederlandse zeeschip Eems Carrier in de Vliestroom (Waddenzee). Betrokkene, kapitein van dit schip, stond op het moment van de gronding op de brug. Blijkens diens toelichting ter zitting ligt

de kern van het verwijt van de inspecteur in het feit dat betrokkene, ondanks de aanwezige betonning, de grens van de vaargeul heeft overschreden en is vastgelopen en dat betrokkene derhalve slecht moet hebben uitgekeken.
Betrokkene wordt verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2 Verantwoordelijkheid en
    Voorschrift 5 Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:


Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met een gronding van het schip als gevolg en waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Gelet op de

omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat schadelijke gevolgen van de gronding zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. 

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van één maand;
  • bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij
    het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+6+2012.V6-Eems%20Carrier.pdf

Verlaten van brug tijdens krabbend anker FLINTERBAY (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:


Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 17 juni 2012 raakte het Nederlandse zeeschip Flinterbay voor de Nederlandse kust op drift door een krabbend anker. Betrokkene was stuurman van de wacht en was niet aanwezig op de brug gedurende de periode dat het schip op drift was. Betrokkene heeft nagelaten voor vervanging van de brugwacht te zorgen toen hij de brug verliet. Hij had geen wachtalarm bijstaan en hij had geen uitkijk op wacht.
Tuchtmaatregel:


Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de volgende voorschriften en bepalingen:
  • Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
    aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid en
    voorschrift 5. Uitkijk;
  • Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
  • STCW, Section A VIII/2, part 3-1 Watchkeeping at Sea, Principles to be
    observed in keeping a navigational watch.
Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheden als scheepsofficier. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, de omgeving en het scheepvaartverkeer, in gevaar is gebracht. De gevolgen van deze handelwijze hadden zeer ernstig kunnen zijn.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid dat niet blijkt dat betrokkene zich eerder aan dit gedrag heeft schuldig gemaakt en de ernstige gevolgen zijn uitgebleven ziet het Tuchtcollege aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:


Het Tuchtcollege:
  • verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
    hiervoor aangegeven onder 5;
  • legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
    periode van vier maanden;
  • bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
  • bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+5+2012.V5-Flinterbay.pdf


zaterdag 16 november 2013

Gronding van de VRIESENDIEP (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 18 december 2012 omstreeks 01:00 uur lt grondde het Nederlandse
zeeschip Vriesendiep in Finse wateren. Op dat moment liep betrokkene,
kapitein van dit schip, de brugwacht samen met een loods en fungeerde hij
als roerganger.
De reisvoorbereiding bestond hoofdzakelijk uit een opsomming van
waypoints zonder rekening te houden met de richtlijnen en aanbevelingen
zoals die door de IMO zijn vastgelegd.

Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid;
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3;
• SOLAS Chapter V, Safety of navigation, Regulation 34 Safe navigation
and avoidance of dangerous situations;
• STCW, Section A VIII/2, part 2 Voyage planning.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene is tekortgeschoten in zijn
verantwoordelijkheden als kapitein. Ten aanzien van het overnemen van het
roer is het verband met de gronding onvoldoende duidelijk geworden. Door
de stuurfout is de veiligheid van het schip met haar lading en de omgeving in
gevaar gebracht.
Bij de behandeling is aannemelijk geworden dat betrokkene zich de gronding
zeer heeft aangetrokken en dat deze voor betrokkene persoonlijk reeds
gedurende langere tijd ernstige gevolgen heeft gehad.
In de hiervoor aangeduide aard en ernst van de gebleken gedragingen en de
juistbedoelde persoonlijke omstandigheden vindt het Tuchtcollege aanleiding
om een tuchtrechtelijke maatregel achterwege te laten.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
• verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 5;
• verklaart de bezwaren voor het overige ongegrond;
• legt betrokkene geen tuchtrechtelijke maatregel op.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+4+2013.V1-Vriesendiep.pdf

Gronding van de GEERVLIET (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 6 maart 2012 grondde het motorschip Geervliet omstreeks 23:00 uur
lokale tijd op het Griekse eiland Nisos Polyaigos. Ten tijde van de gronding
liep de kapitein de brugwacht. Voorafgaand en ten tijde van de gronding was
er geen effectieve uitkijk op de brug aanwezig.
Betrokkene heeft, aldus verzoeker, gehandeld in strijd met de Voorschriften
2 en 5 van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming
van aanvaringen op zee, 1972, met het bepaalde in STCW Section A-VIII/2,
Part 3.1 (Watchkeeping at Sea) Principles to be Observed in Keeping a Navigational Watch en met artikel 4 van de Zeevaartbemanningswet.

Tuchtmaatregel:

Het niet houden van een effectieve uitkijk in de nabijheid van eilanden met
als gevolg een gronding moet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk
op de goede zeemanschap. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een
bekwaam kapitein betaamt, waardoor de opvarenden, het schip en de
omgeving in gevaar zijn gebracht. Een schorsing van de vaarbevoegdheid van
na te noemen duur is hier gepast en geboden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- acht het tegen betrokkene gerezen bezwaar, te weten het niet houden
van een effectieve uitkijk, gedurende zijn wacht met als gevolg een
gronding, gegrond;
- legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de
periode van twee maanden;
- bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag
zes weken na verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+3+2012.V4-Geervliet.pdf

Gronding van ENNIO MARNIX [2] (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 4 september 2011 omstreeks 01.50 uur grondde het Nederlandse
zeeschip Ennio Marnix in de “Little Belt”, Denemarken met als gevolg
bodem- en schroefschade. Betrokkene was de kapitein van m.s. Ennio
Marnix.
Voorafgaand aan de gronding en de reis heeft de kapitein
onvoldoende de reisvoorbereiding gecontroleerd of laten controleren,
waardoor de voorgestelde koers over een diepte ging die ongeschikt
was voor de diepgang van het schip.
Betrokkene heeft als kapitein geen uitkijk geplaatst tijdens de donkere
uren en varend in kustwateren met de aanwezigheid van veel gevaren
voor de navigatie.
Betrokkene wordt verweten dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met
de volgende voorschriften en bepalingen.

- Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972: Voorschrift 2. Verantwoordelijkheid

- STCW Section A-VIII/2
Part 2- Voyage planning, General requirements (3).
Part 3-1 Watchkeeping at sea) Principles to be observed in keeping a
navigational watch.

- SOLAS Chapter V regulation 34: Safe navigation and avoidance of
dangerous situations


- Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig tekort is
geschoten in zijn verantwoordelijkheden als kapitein, met gronding
van het schip als gevolg.
Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een bekwaam kapitein betaamt,
waardoor de veiligheid van de opvarenden, het schip, met haar lading
en de omgeving in gevaar is gebracht.

Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de
vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. Het niet
plaatsen van een de uitkijk is in de schorsing verwerkt maar zou op
zich zelve niet tot een schorsing hebben geleid.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 4.
- legt betrokkene een schorsing op voor een periode van vier weken.
- bepaalt dat de schorsing ingaat op 3 april 2013.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+2+2012.V1A-Ennio%20Marnix.pdf

Klacht over sleepverbinding sleepboot TEMPEST (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Klacht:

Klager beklaagt zich over het optreden van betrokkene als kapitein van de
sleepboot Tempest bij het vastmaken van het op 12 november 2010 ten
westen van IJmuiden op de Noordzee stuurloos en op drift geraakte
koopvaardijschip Western.
Kort en zakelijk weergegeven omvat het klaagschrift (gedateerd 16 mei
2011) van klager, destijds hoofdwerktuigkundige aan boord van de
sleepboot Tempest, het volgende.
2.1 Klager verwijt betrokkene dat hij bij het uitvaren van de haven van
IJmuiden behoorlijk zeeziek was.
2.2 Klager verwijt betrokkene een sleepverbinding met de Western te hebben
gemaakt met behulp van een keesje in plaats van gebruik te maken van het
aan boord aanwezige lijnwerptoestel terwijl hij, klager, de betrokkene daarop
gewezen had. Door te kiezen voor het vanaf het achterdek gooien van het
keesje aan boord van de Western moest de Tempest volgens klager met
gevaar voor aanvaring de Western tot heel dicht bij naderen.
2.3 Op de door klager gemaakte video-opnamen zou volgens hem te zien
zijn dat op het achterdek staande bemanningsleden van de Tempest
geregeld in het overkomende zeewater geheel kopje-onder zijn gegaan.
2.4 Klager verwijst in het klaagschrift naar het niet vastgehaakt zijn van
bemanningsleden op het achterdek en naar surviving suits.
2.5 Tenslotte verwijt klager betrokkene dat de kettingen waarmee de
sleepdraad was vastgezet tijdens het slepen zijn gebroken en dat het gebruik
van dergelijke kettingen een zeer ongebruikelijke manier van handelen is.
Samengevat stelt klager in zijn inleidend klaagschrift dat betrokkene: ‘Door
ondeskundigheid, vermoedelijk door een groot gebrek aan ervaring op
sleep/bergingsvaart, het leven van opvarenden als ook het eigen schip de
Tempest, alsook de veiligheid van het te bergen, driftende schip, nodeloos
ernstig in gevaar heeft gebracht.’.

Tuchtmaatregel:

De tegen betrokkene ingediende klacht is ongegrond. Van het opleggen van
een tuchtmaatregel kan geen sprake zijn.

Beslissing:

Het Tuchtcollege verklaart de ingediende klacht ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2013+1+2011.K1-Tempest.pdf

Gronding van de EEMS TRANSPORTER (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 3 april 2011 omstreeks 04.50 uur (boordtijd) grondde de Eems
Transporter in Griekse wateren. Betrokkene was op dit moment wachtdoend
kapitein. Voorafgaande aan de gronding was betrokkene in slaap gevallen.
Betrokkene had gedurende de wacht geen wachtalarm geactiveerd.
Betrokkene had geen uitkijk geplaatst op de brug tijdens de donkere uren.
Betrokkene wordt verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met de
voorschriften 2 en 5 van het verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter
voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, artikel 4 van de
Zeevaartbemanningswet en de STCW regelgeving, Section A. VIII/2, part
3.1(Watchkeeping at Sea). Principles to be observed in navigational watch.

Tuchtmaatregel:

Het in slaap vallen in nabijheid van de kust met als gevolg een gronding,
alsmede het uitschakelen van correctiemogelijkheden als het wachtalarm en
de uitkijk moet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op de goede
zeemanschap. Een schorsing van een substantiële duur is hier gepast en
geboden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient de vaarbevoegdheid
van betrokkene voor een periode van 2 maanden geschorst te worden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
− acht de tegen betrokkene gerezen bezwaren, te weten , het in slaap
vallen tijdens zijn wacht, het niet plaatsen van een uitkijk, het niet
activeren van het wachtalarm met als gevolg een stranding, gegrond;
− legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor de
periode van twee maanden;
− bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep in gaat op de dag
zes weken na de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+6+2012.V2.Eems%20Transporter.pdf

Gronding van de FLINTERSPIRIT (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Op 19 maart 2012 omstreeks 23.43 uur (scheepstijd) grondde de Flinterspirit
op het eiland Flodday Mor, North Uist, tijdens de wacht van betrokkene,
kapitein van de Flinterspirit. Verzoeker heeft verzocht om een
tuchtrechtelijke behandeling tegen betrokkene op grond van de volgende
verwijten:
• De kapitein had voorafgaand aan de gronding, nagelaten de koers te
wijzigen conform de voyageplanning, de brug verlaten en bevond zich
tijdens de gronding in zijn hut.
• De kapitein had die betreffende avond nagelaten om een uitkijk te
plaatsen op de brug tijdens donkere uren en had het wachtalarm nier
geactiveerd.
• De kapitein bleek onvoldoende in staat om de leiding te nemen nadat
de gronding had plaatsgevonden, hetgeen blijkt uit de volgende
omstandigheden:
o zonder eerst de situatie in kaart te brengen trachtte hij het
schip los te varen;
o hij instrueerde de 2e stuurman om de autoriteiten te melden dat
er niks aan de hand was;
o de kapiteins verklaring over vermoeidheid en medicijngebruik.
• De ochtend na de gronding heeft de kapitein zelfstandig de brugwacht
gelopen terwijl hij onder invloed was van alcohol.

Betrokkene heeft, aldus verzoeker, gehandeld in strijd met de voorschriften 2
en 5 van het verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972, de STCW, Section A. VIII/2, part 3.1(Watchkeeping
at Sea). Principles to be observed in keeping a navigational watch, MSC
(Martine Safety Commitee), Resolutie 282(86) “Adoption of Amendments to
the International Convention for the Safety of Life at Sea, 1974, as amended,
Chapter V reg 19 en artikel 4 van de Zeevaartbemanningswet.

Tuchtmaatregel:

De brug verlaten en in slaap vallen gedurende de nachtelijke uren met als
gevolg een gronding is in strijd met de goede zeemanschap. Het niet
plaatsen van een uitkijk en het niet activeren van het wachtalarm is al
evenzeer in strijd met de goede zeemanschap.
Voor het trachten losvaren van een gegrond schip zonder op de hoogte te
zijn van de actuele situatie en de autoriteiten trachten om de tuin te leiden
geldt hetzelfde. Een schorsing van een aanzienlijke duur is hier gepast en
geboden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient de vaarbevoegdheid
voor de duur van zes maanden te worden geschorst.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
− acht de tegen betrokkene gerezen bezwaren, te weten het gronden
door na te laten koers te wijzigen, het niet plaatsen van een uitkijk
gedurende de donkere uren en het niet activeren van het wachtalarm,
het trachten los te varen zonder eerst de situatie in kaart te brengen
en het instrueren van de tweede stuurman om de autoriteiten te
melden dat er niets aan de hand is was, gegrond.
− legt de betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor de
periode van zes maanden.
− bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag
zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via deze link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+5+2012.V3.Flinterspirit.pdf

Gronding van ENNIO MARNIX (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Aan het verzoek is het navolgende ten grondslag gelegd.
Op 4 september 2011 omstreeks 01.50 uur grondde het Nederlandse
zeeschip Ennio Marnix in de “Little Belt”, Denemarken, met als gevolg
bodem- en schroefschade. Betrokkene was op het moment van de gronding
wachtdoend officier. Voorafgaand aan de gronding heeft betrokkene geen
goede uitkijk gehouden en hierdoor de oost kardinale boei nabij de ondiepte
van de gronding niet opgemerkt. Voorafgaand aan de gronding en de reis
heeft betrokkene onvoldoende de reisvoorbereiding gecontroleerd waardoor
de voorgestelde koers over een diepte ging die ongeschikt was voor de
diepgang van het schip. Voorafgaand aan de gronding heeft betrokkene als
wachtdoend officier op enig moment de brug verlaten en onbemand
achtergelaten. Betrokkene heeft als wachtdoend officier geen uitkijk
geplaatst tijdens de donkere uren en varend in kustwateren met de
aanwezigheid van veel gevaren voor de navigatie.

Betrokkene wordt verweten dat zij aldus heeft gehandeld in strijd met de
volgende voorschriften en bepalingen:
• Verdrag inzake de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972; Voorschrift 5 Uitkijk en voorschrift 2
Verantwoordelijkheid.
• STCW, Section A VIII/2, part 2 Voyage planning, General Requirements
(3), en part 3-1 Watch keeping at Sea, Principles to be observed in
keeping a navigational watch.
• Zeevaartbemanningswet, artikel 4, lid 3.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege is van oordeel dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in
haar verantwoordelijkheden als scheepsofficier, met een gronding van het
schip als gevolg. Betrokkene heeft niet gehandeld zoals een verantwoordelijk
officier van de wacht betaamt, waardoor de veiligheid van de opvarenden, het
schip met haar lading en de omgeving in gevaar is gebracht.
Gezien de ernst van de gebleken gedragingen is een schorsing van de
vaarbevoegdheid van na te noemen duur op zijn plaats. In de omstandigheid
dat betrokkene nog maar betrekkelijk korte tijd vaart en zij zich blijkens haar
verklaring ter zitting terdege bewust is van haar tekortschieten en haar
gebrek aan praktische kennis en vaardigheden, ziet het Tuchtcollege
aanleiding te bepalen dat de schorsing van de vaarbevoegdheid gedeeltelijk
voorwaardelijk wordt opgelegd.

Beslissing:

Het Tuchtcollege:
• verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond zoals
hiervoor aangegeven onder 5;
• legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een
periode van vier weken;
• bepaalt dat van deze schorsing een gedeelte van twee weken niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere
beslissing anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich
voor het einde van een proeftijd, welke het Tuchtcollege bepaalt op
twee jaar, zich weer heeft gedragen in strijd met de zorg die zij als
goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de
opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
• bepaalt dat de proeftijd van de schorsing ingaat op de dag, 6 weken na
de dag van verzending van deze uitspraak;
• verklaart de bezwaren voor het overige ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+4+2012.V1-Ennio%20Marnix.pdf

Aanvaring tussen VD 77 en MSC ASLI (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, schipper van het Nederlandse vissersschip Cornelia
Johannes VD 77. Aan het verzoek liggen de volgende door de Minister gestelde feiten
ten grondslag.

-  Op woensdag 9 februari 2011, omstreeks 05:25 uur vond een aanvaring
plaats op de Noordzee tussen de VD 77 en het containerschip MSC Asli.
Voorafgaand en op het moment van de aanvaring werd de brugwacht op de
VD 77 gelopen door een, voor het zelfstandig wachtlopen op de brug,
onbevoegd bemanningslid te weten, de heer Tomasz Andrzej.

Betrokkene wordt verweten dat hij als kapitein een reis heeft ondernomen zonder
zorg te dragen dat het schip behoorlijk is bemand met voor zijn taak berekend
personeel, zoals verplicht gesteld onder artikel 4, lid 1, onder aanhef en onder k, van
de Schepenwet.

Tuchtmaatregel:

 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft betrokkene door een onbevoegde als
stuurman te accepteren en wacht te laten lopen gehandeld in strijd met de goede
zeemanschap. Door een onbevoegde te laten varen kunnen de opvarenden, het
schip, de lading, het milieu en het scheepvaartverkeer in gevaar wordt gebracht.
Het Tuchtcollege acht een substantiële boete gepast en geboden.
Nu betrokkene blijkens de mededeling van de Inspecteur onder meer in verband met
overtreding van artikel 4 lid 1, aanhef en onder k van de Schepenwet nog vervolgd
wordt door het Openbaar Ministerie, zal het Tuchtcollege de straf geheel
voorwaardelijk opleggen. Het Tuchtcollege zal de proeftijd bepalen op twee jaar.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart het tegen betrokkene gerezen bezwaar gegrond;
-  legt betrokkene een geldboete op van 500,= euro;
-  bepaalt dat deze tuchtmaatregel geheel niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij
betrokkene zich voor het einde van de proeftijd gedraagt in strijd met de
zorg die hij als een goed zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van
de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer;
-  bepaalt de proeftijd op twee jaar.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+3+2011.V2-VD77.pdf

Gronding van de DONGEBORG (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, kapitein van het Nederlandse schip de Dongeborg.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag.

-  De Dongeborg liep ’s avonds op 3 januari 2011 aan de grond in Deense
wateren. Als gevolg van de gronding ontstond aanzienlijk schade aan het
onderwaterschip. Ten tijde van de gronding was de kapitein verantwoordelijk
voor de navigatie maar niet aanwezig op de brug, was het donker buiten en
maakte hij geen gebruik van een uitkijk.

Betrokkene wordt verweten dat hij:
een onzorgvuldige navigatie voerde, zonder het houden van uitkijk, zonder een
geactiveerd wachtalarm en zonder geplaatste uitkijk tijdens donkere uren.
Daarmee voorbijgaand aan de gebruiken van goed zeemanschap en in strijd met de
Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee en de STCW regelgeving
“Standards Regarding Watchkeeping” omtrent het uitvoeren van de wacht op de brug

en het plaatsen van een uitkijk.”

Tuchtmaatregel:

 Naar het oordeel van het Tuchtcollege is, gelet op de uiterst onzorgvuldige navigatie
van betrokkene een onvoorwaardelijke schorsing van de vaarbevoegdheid van
substantiële, na te melden duur geboden. Het Tuchtcollege heeft bij het opleggen
van de tuchtmaatregel geen rekening gehouden met de omstandigheid dat
betrokkene op 3 januari 2011 tijdens zijn wacht noodzakelijke medische assistentie
aan de hoofdwerktuigkundige heeft verleend. Eerstens voerde de betrokkene ook
 voor het in elkaar zakken van de hoofdwerktuigkundige al een onzorgvuldige
navigatie en tweedens had betrokkene nooit het schip aan zichzelf mogen overlaten,
maar had hij maatregelen moeten nemen om varen zonder verantwoordelijke

wachtofficier te voorkomen.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart de tegen betrokkene gerezen bezwaren gegrond;
-  legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de periode
van zes maanden;
-  bepaalt dat de schorsing van de vaarbevoegdheid ingaat op de dag zes weken

na de dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+2+2011.V1-Dongeborg.pdf

Overbelading van baggerschip IJSSELDELTA (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Verzoeker heeft verzocht om een tuchtrechtelijke behandeling tegen
betrokkene vanwege het als kapitein dieper afladen dan toegestaan van het
baggerschip IJsseldelta gedurende 5 reizen op 23 juni 2010. Verzoeker
verwijt betrokkene dat hij in strijd heeft gehandeld met de Schepenwet,
hoofdstuk 2, artikel 4.1.i en artikel 9.1.d en het Schepenbesluit,n hoofdstuk
5, artikel 60.1, welke artikelen de kapitein verplichten om te zorgen dat het

schip geen geringer vrijboord heeft dan de afgegeven certificaten toestaan.

Tuchtmaatregel:

De bezwaren tegen betrokkene zijn ongegrond; van het opleggen van een
tuchtmaatregel kan geen sprake zijn.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2012+1+2010.V4-B.-IJsseldelta.pdf

Gronding van de FLINTERFOREST (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

Het verzoek betreft betrokkene als kapitein van het Nederlandse zeeschip
Flinterforest. Op 13 augustus 2010 omstreeks 04.55 uur grondde dit schip
nabij Helsingborg, Zweden. Verzoeker heeft verzocht om een
tuchtrechtelijke behandeling tegen betrokkene op grond van de volgende
verwijten, onzorgvuldige navigatie, zonder het houden van een goede uitkijk,
zonder een geactiveerd wachtalarm en zonder geplaatste uitkijk.
De kapitein heeft in strijd gehandeld met de Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee en de STCW regelgeving “ Standards regarding
Watchkeeping” omtrent het uitvoeren van de wacht op de brug en het

plaatsen van een uitkijk.

Tuchtmaatregel:

Het Tuchtcollege acht aannemelijk dat betrokkene op zijn alcoholgebruik is
afgerekend door de Zweedse autoriteiten. Het zal hiermee in de te nemen
tuchtmaatregel rekening houden.

In slaap vallen in druk vaarwater na het wegzenden van een uitkijk moet
aangemerkt worden als een ernstige inbreuk op de goede zeemanschap. Een
schorsing van de vaarbevoegdheid een substantiële duur is hier gepast en
geboden. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient de vaarbevoegdheid

van betrokkene voor zes weken geschorst te worden.

Beslissing:

Het Tuchtcollege
- acht de tegen betrokkene gerezen bezwaren, te weten het niet houden
van een goede uitkijk en het niet plaatsen van een uitkijk gegrond;
- legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor de
periode van zes weken;
- bepaalt dat de schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de dag

zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+6+2010.V8-S.-Flinterforest.pdf

Onder invloed varen aan boord van de EEMS SKY (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Aanvankelijk werd aan het verzoek ten grondslag gelegd dat betrokkene als kapitein
van het Nederlandse zeeschip Eems Sky onder invloed van alcohol de brug had
verlaten tijdens de vaart op de Westerschelde op 21 februari 2010; betrokkene werd
varen onder invloed van alcohol verweten.

Na wijziging van het verzoek wordt betrokkene verweten niet beschikbaar te zijn
geweest om zijn functie naar behoren uit te oefenen als gevolg van overmatig
alcoholgebruik.

Aldus handelde hij in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoorde te
nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading en het milieu of het
scheepvaartverkeer, zoals bepaald in artikel 55a van de Zeevaartbemanningswet.

 Tevens handelde hij aldus in strijd met de artikelen 4 en 28 van de
Zeevaartbemanningswet.

Ook handelde hij in strijd met STCW-Section AVIII/2 part 3-1 “Navigation with pilot
on board”.

Verzoeker heeft geen wijziging van de datum van de verweten gedraging gevraagd
zodat het Tuchtcollege begrijpt dat ook na wijziging van het verzoekschrift de datum
van de verweten gedraging 21 februari 2010 is.

Het Tuchtcollege acht de wijziging van het verzoekschrift, tegen welke wijziging ook
niet is geprotesteerd, toelaatbaar nu het gaat om het gebeurde op 21 februari 2010
en de kern van het verwijt gelijk blijft, te weten overmatig alcoholgebruik, waardoor
de functie van betrokkene niet naar behoren kon worden uitgeoefend. Ook na de

wijziging gaat het om een zelfde feitencomplex.

Tuchtmaatregel:

 Gelet op het excessieve alcoholgebruik, dat leidde tot plichtsverzuim, is een forse
schorsing van de vaarbevoegdheid gepast en geboden.

Nu de kapitein, vanwege zijn dronkenschap, besloot niet zelf te varen maar om zijn
wacht over te dragen, zal het Tuchtcollege bepalen dat een kwart van de schorsing
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing
anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich binnen een proeftijd, te
stellen op twee jaar opnieuw zal gedragen in strijd met de zorg die hij als een goed
zeeman in acht behoort te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de

lading, het milieu of het scheepvaartverkeer.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart de tegen betrokkene aangevoerde bezwaren gegrond;
-  legt betrokkene een schorsing van de vaarbevoegdheid op voor een periode
van twaalf maanden;
-  bepaalt dat deze schorsing voor een gedeelte van drie maanden niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing
anders zal bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde
van een proeftijd, welke het Tuchtcollege hier bepaalt op twee jaar, zich weer
heeft gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort
te nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of
het scheepvaartverkeer;
-  bepaalt dat de schorsing en de proeftijd ingaan op de dag zes weken na de

dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+5+2010.V3-K.-Eems%20Sky%20Uitspraak.pdf

Stranding van het vissersschip ZK 65 (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, schipper van het Nederlandse vissersschipschip ZK
65, Hercules PBBC. Aan het verzoek liggen de volgende door de Minister gestelde
feiten ten grondslag.

-  De Hercules ZK 65 strandde op de zuidpier van IJmuiden op maandag 21 juni
omstreeks 03:10 UTC waarbij het schip schade aan de romp opliep en
gedeeltelijk volstroomde met water.
-  Na onderzoek op 21-06-2010 is vastgesteld dat de schipper geen monsterrol
aan boord bijhield of had.
-  Bij dit zelfde onderzoek is waargenomen dat de schipper reizen gemaakt had,
langer dan 18 uur en dat de schipper niet kon aantonen dat de daarvoor
benodigde bemanning van 3 personen aan boord waren.
-  Na aanvullend onderzoek tijdens een reguliere inspectie op 27-08-2010 is
gebleken dat dezelfde schipper wederom geen bemanningslijst bijhoudt en

bemanning aan boord heeft die geen vaarbevoegdheid kon overhandigen.

 Tegen betrokkene zijn volgens de Minister de volgende bezwaren gerezen.

Ik verwijt de aangeklaagde, kort en zakelijk samengevat, dat hij/zij*:
1)  In strijd heeft gehandeld met het houden van een goede uitkijk in
overeenstemming met de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
2)  Het niet bijhouden van de monsterrol conform het Besluit
Zeevisvaartbemanning art. 50 zoals vastgesteld op 21-06-2010.

3)  Gedurende een onbekend aantal reizen onderbemand heeft gevaren, (...)

Tuchtmaatregel:

 Het Tuchtcollege acht ter zake van het eerste en tweede bezwaar een schorsing van
de vaarbevoegdheid van na te melden duur gepast en geboden.

Bezwaar 1 betreft een ernstige inbreuk op de goede zeemanschap. Betrokkene heeft
zijn schip door niet goed uit te kijken ernstig in gevaar gebracht, welke gevaar ook
werkelijkheid is geworden. Aldus heeft hij ook de opvarenden, de lading en het
scheepvaartverkeer ernstig in gevaar gebracht. Dat een en ander nog relatief goed is
afgelopen, doet aan de gevaarzetting niet af.

Bezwaar 2 betreft het niet bijhouden van voorgeschreven monsterrol waardoor niet
gecontroleerd kan worden of al dan niet onderbemand wordt gevaren. Onderbemand
varen vormt een ernstige inbreuk op de goede zeemanschap. Het onmogelijk maken
om dit te controleren is hierom eveneens een ernstige inbreuk op de goede

zeemanschap.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege:
-  verklaart de tegen betrokkene onder 1 en 2 aangevoerde bezwaren gegrond
en het onder 3 aangevoerde bezwaar ongegrond;
-  Legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de periode
van twee maanden;
-  bepaalt dat deze schorsing voor een deel van één maand niet ten uitvoer zal
worden gelegd, tenzij het Tuchtcollege bij een latere beslissing anders zal
bepalen op grond van het feit dat betrokkene zich voor het einde van een
proeftijd, welke het Tuchtcollege hier bepaalt op twee jaar, zich weer heeft
gedragen in strijd met de zorg die hij als goed zeeman in acht behoort te
nemen ten opzichte van de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of
het scheepvaartverkeer;
-  bepaalt dat de schorsing en de proeftijd ingaan op de dag zes weken na de

dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+4+2010.V7-S.-Hercules%20Uitspraak.pdf

Dronkenschap tijdens het varen aan boord van de LITTLE JANE (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek van de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Verzoeker heeft verzocht om een tuchtrechtelijke behandeling tegen betrokkene.
Aan het verzoek liggen de volgende, door de Minister gestelde feiten ten grondslag.
Dronkenschap terwijl deelnemend aan het verkeer op 6 januari 2010 omstreeks
18.30 uur op de rivier de Elbe te Duitsland op het Nederlandse zeeschip Little Jane,
roepletters PHMV.

Tegen betrokkene is door de Minister het volgende bezwaar aangevoerd.
Ik verwijt de aangeklaagde kort en zakelijk samengevat dat hij heeft gehandeld in

strijd met regelgeving en de gebruiken van goede zeemanschap.

Tuchtmaatregel:

 Naar het oordeel van het Tuchtcollege heeft betrokkene door dronken deel te nemen
aan het scheepvaartverkeer op de Elbe op 6 januari 2010 omstreeks 18.30 uur
gehandeld in strijd met de goede zeemanschap. Hij heeft zijn schip, de lading, het
milieu en het scheepvaartverkeer ernstig in gevaar gebracht. Dat zich geen ramp
heeft voltrokken is te danken aan de herhaaldelijke en indringende waarschuwingen
van de loods. Een onvoorwaardelijke schorsing van de vaarbevoegdheid van

langdurige, na te melden duur is in dit geval gepast en geboden.

Beslissing:

 Het Tuchtcollege,
-  verklaart het tegen betrokkene aangevoerde bezwaar gegrond;
-  legt betrokkene een schorsing op van de vaarbevoegdheid voor de periode
van één jaar;
-  bepaalt dat de periode van schorsing behoudens hoger beroep ingaat op de

dag zes weken na de dag van de verzending van deze uitspraak.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de volgende link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+3+2010.V1-B.-Little%20Jane%20Uitspraak.pdf

Uitschakelen van bilge alarm op het m.s. SINGELDIEP (Tuchtcollege voor de Scheepvaart)

Verzoek door de Inspecteur voor de Scheepvaart:

 Het verzoek betreft betrokkene, hoofdwerktuigkundige van het Nederlandse
zeeschip Singeldiep. Aan het verzoek ligt het volgende verwijt ten grondslag: het
uitschakelen van het bilge alarm tussen vermoedelijk 28-02 en 03-03-2010
waardoor tijdens de reis de boegschroefruimte zich vulde zonder dat alarm gegeven
werd.

Tegen betrokkene is door verzoeker het bezwaar aangevoerd dat hij in strijd met de
geldende regelgeving en goed zeemanschap heeft gehandeld door het bilge alarm te

overbruggen zonder verdere maatregelen te nemen.

Beslissing:
Ongegrond.

De volledige uitspraak kunt u vinden via de link:
http://www.tuchtcollegevoordescheepvaart.nl/bestanden/2011+2+2010.V2-L.-Singeldiep%20Uitspraak.pdf


Ernstige beknelling door luikenwagen op de FRISIAN SUMMER (ILT/Scheepvaart)

Samenvatting:

Op 30 september raakte een opvarende van de Frisian Summer ernstig gewond aan
zijn heup door een beklemming tussen de luikenwagen en een luik. De inspectie
Verkeer en Waterstaat doet heeft naar dit ongeval een onderzoek ingesteld.
Resultaten uit eerdere onderzoeken naar ongevallen met luikenwagens zijn daarbij
meegenomen.

Uit het onderzoek bleek dat het slachtoffer op eigen initiatief onzorgvuldig handelde
en vlak voor de luikenwagen op de rijbaan van de wagen klom. De luikenwagen
werd op dat moment gebruikt om het ruim te openen. Een andere opvarende
assisteerde daarbij en stond er bij toen zijn collega klem werd gereden. Doordat hij
daarbij stond kon hij de bestuurder van de wagen waarschuwen om te stoppen.

Naast de geconcludeerde onzorgvuldigheid van het slachtoffer kwamen andere
verbeterpunten aan het licht. Zo was onder andere de procedure op het gebied van
communicatie niet goed. Ook werd geconstateerd dat eerdere aanbevelingen uit
onderzoeken nog niet waren geïmplementeerd door de fabrikant en de reder.

Het ongeval had voorkomen kunnen worden als het slachtoffer beter had opgelet.
Het verplaatsen van de akoestische alarmering naar de plek van het gevaar,
namelijk de wielen, had een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Voorgaande
vergelijkbare onderzoeken in ogenschouw nemend hadden deze ongevallen ook
voorkomen kunnen worden als de wagen voorzien was van bediening aan twee
kanten.

De inspectie doet overeenkomstige aanbevelingen en neemt de bevindingen mee in het pakket eisen dat wordt gesteld in de huidige thema-actie luikenwagens.

Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:
http://www.ilent.nl/Images/Opvarende%20bekneld%20door%20luikenwagen_tcm334-318157.pdf

Aanvaring tussen de UK 143 en de KALIAKRA op de Noordzee (ILT/Scheepvaart)

Samenvatting:

Maandagmiddag 26 april vertrok de Urker viskotter “UK 143” ( “Andries de Vries”)
naar zee om te gaan vissen. Enkele dagen later eindigde deze reis bijna in een
fatale afloop voor het schip en de bemanning.

Al vissend, zo’n 19 mijl ten westen van Den Helder werd de koers gekruist met de
meer dan 180 meter lange Maltese bulkcarrier “Kaliakra”. De “Kaliakra” had een
uitwijkplicht maar gaf in het geheel geen gehoor daaraan en bleef op koers liggen
zonder iets te ondernemen.

De schipper van de “UK 143” stond op wacht terwijl de bemanning aan dek bezig
was de gevangen vis te verwerken. De schipper bepaalde onvoldoende het gevaar
voor aanvaring en hield onvoldoende uitkijk. Hij realiseerde zich daardoor te laat dat
de “Kaliakra” op aanvaringskoers lag zonder uit te wijken. Hij riep de “Kaliakra” op
maar daar gaf niemand antwoord. Snel gaf de schipper hard bakboord om een
aanvaring alsnog te voorkomen terwijl de bulkcarrier op dat moment al vlakbij was.
Aan dek gaf een bemanningslid die de boeg van het schip op zich af zag komen nog
een schreeuw.

Het was te laat om de aanvaring te voorkomen en de “UK 143” werd bijna
ondersteboven gevaren door de “Kaliakra”. Bijna geheel op de kant liggend, sloeg
een bemanningslid overboord en moesten anderen, overspoeld door het zeewater
door het hellende schip, zich in veiligheid brengen aan boord.

Gelukkig zonk de kotter niet en richtte het schip zichzelf weer rechtop. Door de
netten aan de grond en de aanvaring lag het schip ook meteen stil en het overboord
geslagen bemanningslid kon naar het schip zwemmen en zich vasthouden aan een
touw, waardoor hij gered kon worden door zijn collega’s.

Ondanks de duidelijke signalen die in de richting van een (bijna) aanvaring wezen,
voer de Maltese bulkcarrier door zonder iets te ondernemen.

Belangrijke leringen zijn om een goede uitkijk te houden en er niet klakkeloos

vanuit te gaan dat uitwijkplichtige schepen ook daadwerkelijk uitwijken.

Het volledige onderzoek kunt u vinden via de volgende link:
http://www.ilent.nl/Images/Rapport%20Aanvaring%20vissersschip%20met%20bulkcarrier_tcm334-318136.pdf